Posts tonen met het label sollidariteit. Alle posts tonen
Posts tonen met het label sollidariteit. Alle posts tonen

woensdag 27 februari 2013

Excellenties, mevr. Edith Schippers en dhr. Martin van Rijn

Openbrief

Naar aanleiding van recente publicaties van Jos van der Lans, Mathieu Weggeman, Ben Kuiken, en eigen publicaties over regels, efficiëntie, verantwoordelijkheid, initiatief en zelfoplossend vermogen hebben wij onlangs het initiatief genomen om via een LinkedIn-groep vanuit het brede veld input te verzamelen over de vraag: hoe kunnen we zorg beter organiseren? Het is ons opgevallen dat er veel ideeën en initiatieven zijn, waarin deze vraag wordt onderzocht of zelfs (deels) beantwoord. Onderstaand een samenvatting ter inspiratie en als uitnodiging om vanuit uw rol een bijdrage te leveren aan de discussie en de vertaling van de opbrengsten hiervan in beleid. 

1.  Wurgende regels?
Een aantal maatschappelijke regels is nodig en handig. Er zijn, samenhangend met mens- en wereldbeeld, uiteenlopende visies op hoeveel van welk soort regels gewenst zijn. In een mechanisch mensbeeld passen veel sturings- en controleregels. Dit sluit aan bij de gedachte dat alles maakbaar en controleerbaar moet zijn. Managers, politici en bestuurders gebruiken regels om daadkracht te tonen, en de zaken in de hand te houden. Maatschappijbreed wordt door het prominent in de media brengen en uitvergroten van incidenten de indruk gewekt dat zonder strikte regels en controle het hek van de dam is.
In de praktijk blijkt dat regels een andere uitwerking kunnen hebben dan wordt beoogd. Ook kunnen regels uit het ene domein strijdig zijn met die uit een ander domein. Zo schijnen hygiëneregels voor te schrijven dat een vloer glad moet zijn, terwijl volgens Arboregels de vloer geruwd moet zijn in verband met uitglijdgevaar. Ook kunnen regels de eigen verantwoordelijkheid ontnemen en als excuus dienen om zelf geen initiatief te hoeven nemen. Verder kost het handhaven van regels veel geld, tijd en werk. De effectiviteit van regelgeving staat ter discussie, omdat in de praktijk mensen gaan sjoemelen met al die regels waardoor je door de bomen het bos niet meer ziet.
Leidt het steeds verfijnen en toevoegen van regels nu tot beter maatschappelijk functioneren? Het lijkt erop dat hier een paradox optreedt: regels zouden de smeerolie moeten zijn van een geoliede samenleving, maar het lijkt erop alsof een teveel aan regels juist zand in de raderen strooit. Met minder regels nemen mensen zelf meer verantwoordelijkheid, minder regels kunnen het leven overzichtelijker maken, minder regels kan meer zelfwerkzaamheid en onderling vertrouwen geven. Daardoor wordt het doel en de betekenis van ons doen en laten de leidraad van ons handelen. Als dat het geval is mogen we in gezamenlijkheid een deel van onze sociale werkelijkheid construeren, experimenteren, fouten maken om van te leren, en daaruit ontstaan vaak de mooiste dingen.
De linkedln discussiegroep over hoe we zorg beter kunnen organiseren, houdt verband met het bovenstaande. De vraag is of we ons laten leiden door een veelheid aan bureaucratische regels die de cliënt alle zeggenschap en initiatief ontneemt en in een aantal gevallen inefficiënt en niet effectief is, of dat we door andere vormen van organisatie werkbare, menselijke, nabije, bestendige en betaalbare zorgactiviteiten kunnen opzetten.

2. Resultaten Linkedln discussie
Na 2 weken reacties op onze Linkedln groep zijn de volgende tendensen zichtbaar:
In de kleine wereld zijn er frisse en ondernemende initiatieven, waarbij mantelzorg, participatie aan de gemeenschap en leefbaarheid een groot draagvlak hebben. Voorbeelden zijn er te over, zoals buurtzorg, zorgcoöperaties Hoogeloon, zorgnetwerk Eersel, vrijwillige thuiszorg, zelfzorg, woonzorgzones, Thomashuizen/Herbergier en Eigen Kracht. Op sommige plaatsen en in sommige gemeenschappen vinden mensen elkaar beter dan elders. Dit hangt samen met het gemeenschapsgevoel in het algemeen. Vaak zijn actieve gemeenschappen op het terrein van de zorg ook actief in kunst, cultuur en verenigingsleven. De ervaring van succes maakt mensen enthousiast en gemotiveerd, het zelfvertrouwen en de onderlinge band en het verantwoordelijk voelen voor elkaar nemen toe.
Dit neemt niet weg dat er ook veel frustratie en ongenoegen is over hoe verantwoordelijkheden afgeschoven worden. Een groot probleem lijkt het mismanagement en de bureaucratie in grote ambtelijke en procedurele organisaties te zijn. Er wordt veel gemopperd en geklaagd dat gelden voor verzorging en verpleging niet terecht komen waar ze thuis horen, bij de cliënten.
Vooral in ziekenhuizen en de medische centra gaat veel geld om, dus is daar grote winst is te halen, Toch blijven juist deze instituten voorlopig redelijk gespaard, terwijl hier meer dan 50% van de medische kosten wordt uitgegeven en stijging van kosten plaatsvindt.
In vergelijking met België kenmerkt het Nederlandse medische systeem zich door een meer functiegerichte opsplitsing en specialisatie van taken en verantwoordelijkheden. In praktijk betekent dit dat er een keten van processen moet worden doorlopen. Dit kost soms weken en gaat gepaard met veel coördinatie, protocollen en bureaucratie. In België is er sprake van een naar specialisme geordende medische organisatie. Gewoonlijk doorloop je in één dag als cliënt het proces van kennismaking, onderzoek, diagnostiek en planning voor behandeling.
Een enkele deelnemer aan de discussie geeft een systeembeschouwing. Jan Tulder, voormalig directeur van een zorgverzekeraar grijpt terug naar het verleden. Historisch gezien bestond er een tweedeling tussen ziekenfondsverzekerden en particulier verzekerden. De betrokkenheid bij zorg en de verantwoordelijkheid voor kosten en preventie zou bij de laatste groep groter zijn. De vraag is of dit een verdienste was van het stelsel of dat het was toe te schrijven aan de kenmerken van de verschillende groepen die er aan deelnamen. Op dit vlak is het zinvol om over de grens te kijken naar stelsels waar cliënten 90% van de zorgkosten op basis van declaraties vergoed krijgen, en 10% voor eigen rekening. Nemen cliënten die beter zicht hebben op wat medische behandelingen kosten ook meer verantwoordelijkheid voor hun gezondheid?
Enkele ideeën en suggesties die verder werden aangedragen willen wij u niet onthouden.
Een belangrijke is het kritisch kijken naar de inkoop van goederen en materialen. Daarbij moet de kanttekening worden gemaakt dat hier ook tegengeluiden te horen zijn, met name bij de inkoop van goedkope medicijnen. Een aantal patiënten meent dat ze niet langer de medicijnen krijgen die ze echt nodig hebben.
Een ander idee is dat moet worden afgestapt van een mechanische productfinanciering met een enorme controlebureaucratie en met een diversiteit van duizenden productdefinities.
Ook wordt gesuggereerd dat professionele sturing en beloning in de plaats moet komen van managementsturing en beloning waarbij vakkennis en betrokkenheid niet meer relevant lijkt te zijn.
Verder wordt gewezen op de gewenste vorm van sturing in de zorg. Nu vindt sturing vaak plaats via tijd-activiteitenschema’s en verantwoordingsformulieren. Het zou wenselijker zijn om in professionele omgevingen te sturen op vertrouwen en openheid. Een collectieve gemeentepolis op basis van lifestyle zou een prikkel kunnen zijn om gezonder leven te stimuleren. Besparingen zijn verder mogelijk door gebruik te maken van nieuwe communicatietechnologie en domotica. Daarnaast reageren een aantal kleine bureaus en ZZP-specialisten die inspelen op meer of minder vermeende noden en behoeften van cliënten. Ook waren er reacties van mensen die vanuit een aanbesteding gedwongen zijn om ZZP-er te worden.
Een beschouwing van Frans van Kopen willen wij u tenslotte niet onthouden. In antwoord op marktwerking, belangen en koninkrijkjes pleit hij ervoor om de cliënt en de professional weer centraal te stellen:
1.     De cliënt en zijn directe leefomgeving staan voorop
2.     We helpen elkaar
3.     We werken vanuit een integrale aanpak en dragen dat ook zo over als het nodig mocht zijn
4.     We geven weer ruimte tot professionaliteit en verantwoordelijkheid
5.     Protocol is een richtlijn, maar we sturen op grond van gezond verstand en inzicht

3.  Besluit.
Beste Edith en Martin,
Onze eerste conclusies zijn dat er in de kleine (leef)wereld veel goede en zinvolle initiatieven zijn als het gaat om elkaar te helpen en zorgverantwoordelijkheid te nemen. De voorgenomen bezuiniging op de eerstelijnszorg zou nog wel eens kunnen uitmonden in “goedkoop is duurkoop”. De hoge zorgkosten liggen op andere terreinen. De verantwoordelijkheden moeten worden opgepakt waar deze het meest effect sorteren. Er ligt ons inziens een grote uitdaging om een alternatief te bieden voor het waterhoofd van management en bureaucratie dat functioneert op basis van wantrouwen en controle. Dit veranderen vereist een fundamentele verandering van het systeem. Een verandering die geënt moet worden op het nemen en geven van verantwoordelijkheid en vertrouwen in nabije zorg en in de relatie cliënt-professional. Aansluitend op de decentralisatie is er behoefte aan een landelijk zorgsysteem dat is gebaseerd op dezelfde uitgangspunten.
Wat ons betreft is deze discussie nog niet afgerond, we zijn van plan de dialoog met cliënten, het werkveld en u te onderhouden en verder uit te werken.

Met vriendelijke groet,
Willem Vermeulen
Erno Mijland
Raf Daenen

vrijdag 22 februari 2013

Marktwerking in de zorg: Zegen of vloek

‘Marktwerking’ wordt in toenemende mate als toverformule geponeerd om maatschappelijke problemen op te lossen.
Vooral als de kosten van bepaalde maatschappelijke activiteiten toenemen, zoals in de gezondheidszorg gebeurt, wordt marktwerking als panacee gezien. Wat er meestal niet wordt bij verteld is dat dit systeem een aantal cruciale voorwaarden vereist om de beloften waar te kunnen maken. In dit artikel stellen we dat in de praktijk hier de schoen vaak wringt.
Door Raf Daenen en Willem Vermeulen auteurs van het boek ‘Perspectief op een maatschappij in crisis. Samen leren, samen werken en samen leven’


Vanuit de liberale marktvisie wordt vrije concurrentie aanbevolen, omdat dit tot vier soorten verbetering zou leiden. Ten eerste zouden aanbieders efficiënter gaan werken en verspillingen tegengaan om de kosten te drukken. Ten tweede zou de kwaliteit van de producten of diensten toenemen om de afnemers ook op langere termijn aan zich te verbinden. Omdat er concurrentie is kunnen afnemers immers snel naar een andere aanbieder switchen. Ten derde zou de keuzevrijheid van afnemers toenemen. Tenslotte zou er een beter kosten-batensaldo ontstaan, waar de hele maatschappij van profiteert. Volgens de aanhangers van de vrije markt is dit dan ook het ideale systeem om efficiëntie en kwaliteitsverbetering hand in hand te doen gaan.
Zorg in een vrije markt
In een vrije zorgmarkt kunnen alle organisaties of personen die zich daartoe geroepen voelen zich aanbieden voor bepaalde zorgtaken of daarmee samenhangende activiteiten zoals toezichttaken of financieringstaken. Het aanbod kan breed zijn en veel taken of activiteiten omvatten, of smal zijn en zich richten op een specifieke niche, zoals opvang van terminaal zieken. De afnemers van zorg hebben een grote keuze uit het aanbod van producten en diensten en in principe dus een grote keuzevrijheid. Zo vinden we in ons land zo’n 35 zorgverzekeraars. Alleen al in de gemeente Rotterdam zijn ruim 4500 zorgaanbieders bekend, uiteenlopend van palliatieve zorgcentra tot flebologiecentra (behandeling spataderen) en van geriater tot mondhygiënist. Totaal gaat het in Rotterdam om ruim 56.000 mensen die in de zorg werkzaam zijn. Marktaanbod roept blijkbaar vraag en specialisatie op.
Het dilemma van transparantie
Het is de bedoeling dat, om een goede keuze te maken, de aanbieders transparant zijn in de aard, omvang en kwaliteit van diensten die ze aanbieden en de kosten die ermee gepaard gaan. Hier doemt een eerste probleem op. De aanbieders zelf zitten in een spagaat, want openheid en transparantie kan weliswaar de keuze voor de afnemer vergemakkelijken, maar het kan tevens de concurrentiepositie ondermijnen. De concurrent weet dan immers precies waar hij een beter aanbod kan doen. Voor dit probleem worden in de praktijk twee oplossingen gehanteerd. De eerste is een (te) mooie voorstelling van zaken geven. Men leze er de folders van zorginstellingen maar op na. De tweede is de informatie zo verpakken dat moeilijk te doorgronden is wat er precies wel of niet in het aanbod van de aanbieder zit. Men leze er de polissen van zorgverzekeraars op na.
Kwaliteit beoordelen
Een tweede veronderstelling is dat de kwaliteit van de marktpartij goed is te beoordelen door de potentiële afnemers. De afnemer wil immers een prijs-kwaliteitsvergelijking kunnen maken. Maar hoe kan een afnemer de kwaliteit van een dienst beoordelen als deze zeer specialistisch is, of afhankelijk is van een specifieke klant-professional relatie, zoals in de zorg vaak het geval zal zijn? Om de kwaliteit te borgen kunnen er opleidingseisen aan personeel worden gesteld en certificeringen van de organisatie op uiteenlopende terreinen geëist. Ook kunnen er inspecties worden gehouden, of cliëntbeoordelingen worden gerapporteerd. Opleiding en certificering zeggen echter lang niet alles over zorgaspecten die de afnemer belangrijk kan vinden. Zo hoeft een technisch goede chirurg niet te beschikken over goede communicatievaardigheden, terwijl cliënten daar wel sterk aan kunnen hechten. Inspecties en cliëntbeoordelingen zijn momentopnamen en hoeven niets te zeggen over de kwaliteit van de aanbieder in het algemeen of over langere termijn. Het probleem dat de kern van zorg zit in de kwaliteit van de klant-professional relatie die zich pas manifesteert als de relatie daadwerkelijk tot stand is gekomen, is lastig op voorhand op te lossen. Wel kan in het algemeen worden gesteld dat zeker de cliënt die op langdurige zorg is aangewezen, baat heeft bij vaste zorgverleners waar hij of zij een goede band mee kan opbouwen, maar waar hij of zij ook afhankelijk van is. In een vrije markt loert altijd het gevaar van snel switchen van personeel; ook personeel laat zich in een vrije markt leiden door de meest gunstige arbeidspositie.
Kwaliteit en concurrentie
Een derde veronderstelling is dat het efficiënter werken en drukken van de kosten hand in hand gaat met verhoging van kwaliteit. Dit blijkt in de praktijk meestal een naïeve veronderstelling te zijn. Er zijn veel voorbeelden uit de markt dat uit kosten- of winstoverwegingen genoegen wordt genomen met een lagere kwaliteit van artikelen, minder goed geschoold personeel of het minder nauw nemen met regels van arbeidsvoorwaarden, hygiëne en veiligheid. Zo constateert Abvakabo FNV dat bij verpleeg- en verzorgingstehuizen en in de thuiszorg de werkdruk door gebrek aan personeel nu regelmatig al zo hoog is, dat dit ten koste gaat van de zorgkwaliteit. In een aantal gevallen worden welbewust wettelijke regels overtreden om de kostenkant laag te houden of de winst op te drijven. Vaak leidt marktwerking ertoe dat de salarissen en bonussen aan de top van het bedrijf stijgen, en aan de onderkant dalen. Zo is bij onderzoek in 14 zorginstellingen gebleken dat de helft ervan meer dan drie ton per jaar aan de bestuursvoorzitter doteert. Met daarnaast vaak nog een riante onkostenvergoeding. In een aantal gevallen verdient de voorzitter meer dan 10 keer zoveel dan het laagste salaris in de instelling.
Prijsafspraken
Een vierde veronderstelling is dat er eerlijke en open concurrentie bestaat en dat aanbieders eerlijk en integer zijn. Ook deze veronderstelling is doorgaans naïef. Veel aanbieders in de sector kennen elkaar, zeker als ze in een specifieke niche, zoals medicijnverstrekking werkzaam zijn. Het verleden heeft geleerd dat het verleidelijk is om onderling prijsafspraken te maken, of elkaar een bepaald deel van de markt te gunnen. Zo bleek uit onderzoek van Tros Radar dat zorgverzekeraars in het geheim afspraken maken met medicijnfabrikanten over lagere prijzen van medicijnen. De gebruikers van de medicijnen krijgen die lagere prijs niet te horen en moeten de volle mep betalen voor hun geneesmiddelen. Zulke afspraken worden in verschillende sectoren gemaakt, dus waarom niet in de zorg. Ook kunnen er aanbieders zijn die het niet om het wezen van de zorg gaat, maar enkel om geld te verdienen. In een markt waar men met afhankelijke klanten van doen heeft is het heel gemakkelijk om zich over de rug van zwakkeren te verrijken. Vorig jaar nog is een aantal gevallen geconstateerd waarbij bemiddelingsbureaus pgb-geld dat voor cliënten is bedoeld, in eigen zak hebben gestoken. 
Concurreren kost geld
Een belangrijke veronderstelling is dat concurrentie tot lagere prijzen voor de afnemer leidt. Zelfs als er eerlijke en open concurrentie bestaat is dat nog maar de vraag. Immers: zorgondernemers zullen proberen de kosten te verminderen en verspillingen te elimineren, maar anderzijds zijn ze meer geld kwijt aan het concurreren zelf: reclame maken, klantenwerving, in de gaten houden wat de concurrenten doen. Als de markt of het klantenbestand verandert moet de zorgondernemer ook veranderen, en dat kan veel investering vergen. In de zorgmarkt zal een groot deel van de kosten bestaan uit salarissen, en dus wordt daar al snel op beknibbeld. Dat kan betekenen dat er meer handelingen in kortere tijd moeten worden verricht, geen tijd meer voor een praatje met een cliënt bij een kopje koffie. Of handelingen worden opgedeeld in niveaus, en de cliënt wordt geconfronteerd met steeds wisselende behandelaars; een voor het aankleden, een ander voor het verwisselen van het verband, een derde voor het toedienen van medicijnen. Daar zitten de meeste cliënten en de meeste professionals niet op te wachten.
Protocollen en controles
Een belangrijk element in de zorgsector dat in een marktbenadering doorgaans niet wordt meegewogen is het gegeven dat veel professionals een groot deel van hun arbeidstevredenheid en eigenwaarde ontlenen aan de inhoud, waardering en resultaten van hun werk. Als de inhoud van het werk in deeltaken wordt opgeknipt, en de resultaten van het werk onzichtbaarder worden gemaakt, dan zal de tevredenheid afnemen. De neiging tot protocolleren en controleren neemt ook in de zorg toe. Zo zijn er alleen al voor het inbrengen van een mayotube (voor een onbelemmerde ademhaling) 19 regels die moeten worden gevolgd. Uit onderzoek bij de bloedtransfusiedienst blijkt dat met name bij de groep verpleegkundigen de indruk bestaat  dat door het in toenemende mate vastleggen van werkwijzen en het verantwoorden, het dagelijkse werk steeds moeizamer wordt. Daarom zullen de werknemers niet langer geneigd zijn om nog net dat stapje extra te zetten, om iets meer tijd aan een probleem te besteden of om problemen die een ander heeft veroorzaakt op te lossen. Zo ver is het gelukkig nog niet, maar bij een vrije marktwerking is een formalistische opstelling van personeel een reële dreiging. Gemotiveerd en goed opgeleid personeel is de belangrijkste investeringsfactor in de zorgsector, en als dat wegvalt gaat dat onontkoombaar ten koste van de zorgkwaliteit.
Solidariteit of recht van de sterkste
Tenslotte ligt het voor de hand dat de werking van vraag en aanbod in de vrije markt ertoe leidt dat zorg waar weinig vraag naar is, omdat het heel specifieke zorg voor weinig mensen betreft, niet wordt aangeboden of onbetaalbaar wordt, omdat er nu eenmaal een hoge prijs op exclusiviteit staat. Deze vrees wordt door veel Nederlanders gedeeld, zo blijkt uit onderzoek (Kanne, 2010). Ook zijn in een echte vrije markt mensen die gezondheidsproblemen hebben de klos. De vrije markt is niet op solidariteit gebaseerd en dus zullen mensen die geluk hebben en nauwelijks ziek zijn weinig kosten hebben, maar mensen die gehandicapt zijn of met hun gezondheid sukkelen zullen veel moeten betalen. Mensen die dat niet kunnen moeten maar leningen afsluiten, of als uiterste consequentie, creperen. Dat zullen de meesten van ons gelukkig onacceptabel vinden.
Weg met de marktwerking?
Al met al blijkt dat een aanzienlijk groter deel van de bevolking tegenstander dan voorstander is van marktwerking in de publieke sector. Twee derde van de Nederlanders vindt dat de overheid het in de gezondheidszorg voor het zeggen moet hebben en dat de overheid meer toezicht moet houden (Hertogh en Van der Meij, 2010). Alle kiezersgroepen blijken tegen marktwerking in de thuiszorg te zijn. De Nederlanders menen in overgrote meerderheid dat marktwerking in de thuiszorg de kwaliteit van de zorg zal verminderen. Als mogelijke voordeel ziet men wel dat vraag en aanbod op een aantal punten beter op elkaar afgestemd worden, en dat er meer dienstverlening op maat mogelijk is (Kanne, 2010).
Een alternatief?
De tegenwerping van liberale denkers op de kritiek op het vrije marktmodel is dat een door de overheid geregelde sector niet beter is, en met nog ernstiger problemen te kampen heeft.
Er wordt gewezen op kostenverslindende bureaucratie, verspilling, een klantonvriendelijke bejegening en het gebrek aan keuzevrijheid of het beperken van keuzemogelijkheden. Natuurlijk zijn er voorbeelden te vinden van problemen die een bureaucratische aanpak met zich meebrengt. Cliënten worden soms van de ene naar de andere instelling doorverwezen, kunnen bepaalde behandelingen niet vergoed krijgen, of worden bij klachten weggehoond.
Er wordt gewezen op landen waar de kwaliteit van de staatszorg beduidend lager is dan van de zorg door privébehandelaars of in privé-instellingen. Zulke kritiek moet serieus worden genomen. Het betekent dat er op een of andere manier garanties moeten worden ingebouwd om tegen aanvaardbare kosten een goede kwaliteit te leveren en voldoende keuzevrijheid te behouden.
Hoe kan zoiets worden gerealiseerd?
Allereerst door eens goed te kijken welk soort zorg in de eigen omgeving, laagdrempelig, maar ook met geringe kosten kan worden gerealiseerd. Daarbij is het van groot belang om te beseffen dat zorg een systeem betreft dat met andere systemen samenhangt. Als iemand op een te grote school verloren loopt, kan daar de kiem liggen voor latere fysieke en psychische klachten. Het aloude spreekwoord: “voorkomen is beter dan genezen” is hier zeker van toepassing. Dat geldt voor veel andere sectoren die het welbevinden van mensen beïnvloeden. Dus investeren in kwalitatief goede levensomstandigheden loont.
Verder moeten de professionals die in de zorg werkzaam zijn voldoende speelruimte krijgen om vanuit hun professionaliteit te handelen. Hier kunnen bureaucratische regels contraproductief werken. Natuurlijk moeten professionals rekenschap geven van hun handelen, niet door tijdformuliertjes in te vullen, maar door in collegiaal overleg van elkaar te leren.
Tenslotte moeten we ons ook realiseren dat er niet voor elk levensprobleem een pasklare oplossing is, en dat we zelf ook verantwoordelijk zijn voor de kwaliteit van ons bestaan en dat van anderen om ons heen. En tevens moeten we leren accepteren dat het leven eindig is, en dat we niet elke onvolkomenheid kunnen of hoeven op te lossen.

 

 

dinsdag 25 december 2012

Op zoek naar redelijke oplossingen, Samenleven in solidariteit,


Een impressie van een discussieavond leden FNV over effecten regeerakkoord op de arbeidsmarkt
We horen voortdurend dat we in een recessie zitten en dat de economie achteruit holt. We zouden ons vragen kunnen stellen bij het huidige economisch systeem zelf. Heeft het zijn langste tijd niet gehad? In 1994, na de val van de Berlijnse muur stelde Bolkestein het failliet van socialisme vast. Geldt niet hetzelfde voor ons huidig markteconomisch systeem? We stellen vast dat in dit systeem de rijken nog rijker zijn geworden, dat het grote graaien tot norm lijkt verheven en dat solidariteit inmiddels betekent dat gewone hardwerkende mensen de financiële gaten mogen dichten. We moeten ons daarom ernstig afvragen of er andere, voor onze maatschappij betere systemen bestaan dan de zogenaamde vrije markteconomie. Waarom is dit systeem zo dominant en waarom wordt er  zo krampachtig aan vastgehouden? Dat gebeurt ondanks dat de negatieve bijwerkingen steeds meer aan het licht komen: verscherping van maatschappelijke tegenstellingen, overproductie en overconsumptie, omgevings- en milieuschade, toename van personen met fysieke en psychische problemen. Zijn zulke onvolkomenheden een afspiegeling van het menselijk wezen, waardoor het onvermijdelijk is dat een maatschappelijk systeem imperfect is, of is er iets anders aan de hand? Zou het niet zo kunnen zijn dat een meer charitatieve, humane en op solidariteit gebaseerde vorm van uitwisseling tussen mensen de norm wordt?  Mededogen en zorg voor elkaar kunnen dan de drijvende krachten zijn.
In het huidige economisch systeem winnen de aandeelhouders het van betrokken ondernemers, omdat het de aandeelhouders niet om het product of de dienst zelf gaat, maar alleen om de financiële winst. Het streven naar steeds meer winst doorkruist de waarde van het product of de dienst die wordt geproduceerd. Op macroniveau is door de wereldwijde handel in opties en aandelen een economie ontstaan die op gebakken lucht is gebaseerd. Een luchtballon van verwachtingen en geruchten, waarvan volgens een aantal kritische economen niet de vraag is of, maar wanneer deze wordt doorgeprikt en ontploft. De eerste barsten in deze luchtballon zijn aan het licht gekomen in Griekenland en Spanje. Het leidt tot onvrede en wantrouwen bij de bevolking. Dit dreigt zich nu ook in onze Nederlandse samenleving te nestelen. Een van de tekens is het morrelen aan de verworvenheden van onze arbeidsgaranties en basis levensgaranties.
Zo hebben we net de pensioengerechtigde leeftijd verhoogd omdat we met zijn allen langer en gezonder leven. Maar tegelijkertijd worden 50-plussers met bosjes uit de arbeidsmarkt gestoten. Zeker met de dreiging van versoepeling van het ontslagrecht en het verkorten van de termijn van de WW uitkering geeft dit de nodige onrust en aantasting van sociale zekerheid. Daarnaast zijn we de laatste decennia door banken, reclamemakers en elkaar verleid tot een hoge levenstandaard, met beleende huizen, gefinancierde auto’s, vakanties en luxeproducten. Het leek niet op te kunnen. Nu slaat plots de paniek toe: er zijn soms echte, soms vermeende bedreigingen en angsten om van de maatschappelijke ladder naar beneden te tuimelen. Bij degenen onder ons die op goede gronden gemeend hebben garanties te hebben op een altijd vaste baan kan dit leiden tot een panische en egocentristische reactie, als blijkt dat bijna niets meer vast staat op het gebied van werk en zorg.
Degenen met tijdelijke contracten, ZZP-ers, flexwerkers, werkers via uitzendbureaus, zijn gewend geraakt aan de spanning van wisseling van vraag en aanbod. De directe bedreiging van verlies van inkomen treft hen eerder dan degenen met een vaste baan.  Degenen met een tijdelijk contract vinden vaak dat degenen met een vaste baan maar moeten leven met onzekerheid en moeten leren om van baan naar baan te hoppen.
Dan is er de derde groep, onze jeugd, die bijna niet of maar heel moeizaam op de arbeidsmarkt een plek vindt. Flexcontracten worden afgewisseld met baanloze en soms inkomstenloze perioden. Er wordt al gesproken van een verloren generatie. De jeugd merkt dat door de noodzaak om langer te werken de arbeidsmarkt op slot wordt gehouden door de oudere, in hun ogen goed verdienende generatie. Dit kan ten koste gaan van de solidariteit tussen generaties.
In al de ellende en negatieve berichtgeving zou je bijna vergeten dat er nog mensen zijn die het goed en stabiel hebben. Er zijn er ook bij die beter worden van de crisis. En dan zijn er nog de graaiers en draaiers die bereid zijn zich te verrijken ten koste van anderen.
Het totale gemiddelde inkomen in Nederland is niet gedaald, zelfs een beetje gestegen, maar door de inflatie is de gemiddelde koopkracht al enkele jaren aan het afnemen. Toch hebben we gemiddeld nog veel meer koopkracht dan in de zeventiger jaren van de vorige eeuw. Er zijn echter groepen die de dalende koopkracht harder voelen dan andere.
Wanneer we met een gemêleerd gezelschap van werkenden in gesprek gaan, dan vallen een aantal typische reacties op. De eerste reactie is dat het bijna altijd de ander is, de graaier, die hard aangepakt moet worden. Gelukkig is het niet moeilijk om in te laten zien dat deze aanpak weinig uithaalt. Vervolgens wenst men persoonlijke garanties, het veiligstellen van de eigen zekerheden en het liefst nog wat extra. Natuurlijk krijgt ook de overheid er van langs. Het beleid deugt niet, er zijn fouten gemaakt, en bestuurders kijken vooral naar het eigen belang. Dit laatste speelt sterker als er weer eens een bestuurder wegens belangenverstrengeling of declaratiegedrag in opspraak komt.
Gelukkig herinnert een enkeling in het gezelschap zich zijn sociaal democratische idealen, of ziet in dat we toch niet in een keer alle rijken kunnen laten boeten en tot een totale herverdeling van geld en goed komen. Het gaat er om dat in kleinere vormen van solidariteit de pijn kan worden verzacht of verdeeld. Er is zelfs iemand die zegt: “kijk naar de buurtzorg”, een ander geeft aan: “ik wil wel wat brutoloon inleveren om samen op te mogen trekken met een jongere medewerker.” Een mevrouw die door haar rust en vrouw zijn alleen al onopvallend opvalt zegt plots: ”misschien moeten we wel anders omgaan met geld en goed, menselijker, samen delen. Zo kunnen we macht organiseren tegen de gevestigde orde”. Een ouderling herinnert zich plots zijn wilde jaren in de kibboets, weer een ander zegt: “ik heb nog nooit zo hard en met voldoening gewerkt als nu in het vrijwilligerswerk”.
In je eentje ben je nergens, maar samen sta je sterk. Dit lijkt een voorlopige, beperkte conclusie. Zij wordt nog weinig ondersteund door de bond, want ook deze wil terug naar oude zekerheden, acties houden zoals vroeger. De nieuwe vakbeweging zoekt nog fragiel in de directe leefwereld naar nieuwe vormen van solidariteit. Aan de grote wereld in Den Haag zeg ik, zet in op de solidariteit tussen oud en jong. En ook: een beetje begrip voor de noden in de kleine wereld biedt de grote wereld een fundament voor nieuwe solidariteit, samenwerken, samen leren als perspectief op een maatschappij in crisis.

Willem Vermeulen en Raf Daenen auteurs van boek: “perspectief op een maatschappij in crisis”