maandag 30 mei 2011

Informatie over Transitie Jeugdzorg gebundeld



K2 Adviesbureau voor Jeugdvraagstukken heeft voor u de meest relevante informatie over de Transitie Jeugdzorg geselecteerd en verwerkt in een reader 'Transitie Jeugdzorg'. Onder de rubriek 'Uitgelicht' leest u over de conferentie Transitie Jeugdzorg 21 april 2011.
Met de ondertekening van het voorlopige Bestuursakkoord op 21 april 2011 zijn de contouren van de Transitie Jeugdzorg vastgelegd.

De meest relevante informatie over de Transitie Jeugdzorg is geselecteerd en verwerkt in een reader 'Transitie Jeugdzorg'. Gedurende de duur van de transitie wordt de reader regelmatig geactualiseerd.

zaterdag 28 mei 2011

CMV conferentie



Conferentie Krachtig CMV 2011


Welkom op de site van ons, krachtige CMV'ers!
Op deze site is informatie te vinden over de conferentie georganiseerd door studenten CMV van Fontys Hogeschool Sociale Studies in Eindhoven. Deze conferentie zal plaatsvinden op donderdag 9 juni 2011. In het ochtendprogramma informeren diverse sprekers ons over het veranderende welzijnswerk, terwijl het middagprogramma diverse workshops biedt met thema's die passen bij de huidige ontwikkelingen en trends in onze maatschappij.

Tijdens de conferentie laten we zien hoe divers en belangrijk de kracht van de CMV'er in onze maatschappij is!

Hopelijk zien we u terug op donderdag 9 juni!
Geachte heer / mevrouw, beste lezer,
de conferentie van de studenten Fontys Hogeschool Sociale Studies - Culturele en Maatschappelijke Vorming sluit op 31 mei. Wilt u zich nog inschrijven? Doe dit dan voor die datum, zodat de organisatie alles tijdig kan communiceren. Iedereen die zich aangemeld heeft ontvangt op 3 juni de bevestiging van de gekozen workshops en de laatste informatie. 
Nog niet aangemeld? Doe dat dan nu voor deze kosteloze en bijzondere conferentie op 9 juni op www.krachtigcmv.nl!
Heeft u nog vragen? Mail gerust!
Met vriendelijke groet,
Afstudeergroep CMV 2011

donderdag 26 mei 2011

Stem TEGEN het bestuursakkoord VNG-congres

 Pro- Oisterwijk tegen

FNV Lokaal geeft u zes redenen:
FNV Lokaal vindt de afspraken die in het concept bestuursakkoord zijn gemaakt voor mensen met
een afstand tot de de arbeidsmarkt onvoldoende. Een belangrijk onderdeel van het bestuursakkoord
is de decentralisatie van een aantal taken naar gemeenten zoals de re-integratie van mensen met
een arbeidshandicap. Er komt daartoe een nieuwe wet: de Wet werken naar vermogen. Deze wet
is een samenvoeging van de huidige bijstandswet (WWB), de WIJ, de Wajong en de WSW, en zal
ingrijpende gevolgen hebben voor de betrokken doelgroepen.
Reden 1: De Wet werken naar vermogen is een asociale wet.
Het is asociaal dat mensen met een arbeidshandicap de rekening moeten betalen voor de crisis die
het gevolg is van het falen van de bankensector. Jongeren met een arbeidshandicap zullen in de
toekomst geen uitkering krijgen, terwijl de kans op werk voor hen, met deze maatregelen, totaal
niet toeneemt.
Reden 2: De sociale werkvoorziening gaat dicht.
De Sociale Werkvoorziening, de beste werkgever voor mensen met een arbeidshandicap, gaat zo
goed als op slot.
Het aantal arbeidsplaatsen daalt van bijna 100.000 naar 30.000. Mensen met een arbeidshandicap
die in de toekomst aangewezen zijn op de Sociale Werkvoorziening zullen lang op een werkplek
moeten wachten.
Reden 3: Met minder geld, kun je niet meer doen.
Gemeenten krijgen niet voldoende geld van het Rijk om het afgesproken cao-loon aan WSW’ers te
betalen. Dat is onacceptabel, want gemeenten kunnen niet onder het cao-loon uitkomen. Uiteindelijk
zal de partij die als werkgever optreedt het proberen te verhalen op de loonkosten van WSW’ers via
de cao onderhandelingen. Want van een kale kip kun je niet plukken.
Reden 4: Werken met behoud van uitkering.
Mensen met een bijstandsuitkering, al dan niet met een handicap, moeten verplicht gaan werken,
terwijl er geen normaal loon tegenover staat. Dit betekent een verschuiving en een verdringing op
de arbeidsmarkt. Steeds meer gewoon werk verdwijnt, het wettelijk minimumloon (WML) wordt niet
langer gerespecteerd en de arbeidsvoorwaarden worden omzeild.
Reden 5: Thuiswonende gehandicapte raakt weer afhankelijk.
De voorgenomen aanscherping van de WWB gaat uit van een huishoudinkomen. En het gevolg hiervan
is dat jongeren met een arbeidshandicap weer afhankelijk worden van hun ouders of van hun
werkende partner.
Reden 6: Schijn beleidsvrijheid.
De grote beleidsvrijheid waar het akkoord over spreekt, is een schijnvrijheid.
Het Rijk legt een verplicht armoedebeleid op met de norm van 110% WML. Wat heb je echter aan
beleidsvrijheid als het gehele risico, zonder voldoende budget op het bordje van gemeenten komt
te liggen?

Kiezen voor een menswaardige samenleving

Weg van een liberaal doorgeschoten kapitalistisch systeem van waardeloze verrijking, vervreemding en grootschalig monopolisme.
Wij kiezen voor een gezonde samenleving: Iedereen die actief meedoet naar vermogen heeft recht op bestaanszekerheid, primaire voorzieningen, eten drinken, gezondheid, informatie opleiding en veiligheid.
Wij stellen grenzen aan individuele verrijking en beschadiging van de ander.
Wij maken ons druk over de kwaliteit van leven en samenleven van gewone mensen (1 á 2x modaal)
Wij gaan voor kwaliteit van instellingen en professionals die de samenleving in evenwicht houden: onderwijzers, politie, ambtenaren, verplegers, informatiebeheerders, welzijnswerkers en bankbedienden.
In Ruil voor een redelijk inkomen rekenen we op maatschappelijke betrokkenheid en voorbeeldgedrag.
Tot slot nog 2 opmerkingen, ieder politiek maatschappelijk thema wordt vanuit bovenstaande visie beargumenteerd en dan rest nog slechts de vraag wie staan er op en gaan voor een menswaardige samenleving.

woensdag 25 mei 2011

acties tegen bestuursakkoord

Agnes Wolbert

Het wordt gemeenten onmogelijk gemaakt sociaal beleid te voeren op het gebied van Sociale Zaken, de Wet maatschappelijke ondersteuning en de regelingen op de onderkant van de arbeidsmarkt. Gemeenten moeten gezamenlijk opdraaien voor 1,8 miljard bezuinigingen.

http://www.youtube.com/watch?v=LLv7muVhI2Y&feature=youtu.be
http://www.youtube.com/watch?v=9kgiZ_qtxY8&feature=youtu.be

dinsdag 24 mei 2011

Liberalisering kost geld

Liberalisering farmacie kan 200 miljoen kosten


Het invoeren van vrije prijsvorming zonder voorwaarden kan leiden tot een kostenstijging van 170 tot 200 miljoen euro. Dat stelt Zorgverzekeraars Nederland (ZN) in reactie op onderzoek van de Boston Consulting Group (BCG).
Minister Schippers van VWS wil volgend jaar zonder voorwaarden vrije prijzen invoeren voor geneesmiddelen en farmaceutische zorg. Het onderzoek van BCG toont volgens ZN echter aan dat het vrijgeven van prijzen niet automatisch leidt tot meer concurrentie, betere betaalbaarheid en hogere kwaliteit.  Het onvoorwaardelijk invoeren van vrije prijzen kan zelfs leiden tot een kostenstijging van 170 tot 200 miljoen euro.
Voldoende aanbod
ZN wil daarom dat de liberalisering geleidelijk en onder voorwaarden wordt ingevoerd. Eén van die  voorwaarden is dat er voldoende aanbod is van apothekers. Alleen bij voldoende aanbod is concurrentie mogelijk en worden apothekers geprikkeld om zich te onderscheiden op prijs en kwaliteit. Uit het onderzoek blijkt dat niet overal in Nederland voldoende apothekers  gevestigd zijn om deze concurrentie te laten werken. Volgens een berekening van BCG voldoet slechts  40 procent van de Nederlandse apothekersmarkt aan deze voorwaarde.

Geloven!?

    
Ik ben gelovig in de goddelijke samenhang der dingen. Ik denk dat ons bestaan hier zin heeft, en dat wij daar zin aan moeten geven. Dat wat rationeel niet kan en toch gebeurt, dat is de goddelijke kracht. Het mooie in het leven, de verwondering, de liefde tussen twee mensen, de geboorte van een kind, het opkomen van de zon, dat zijn dingen die mij het gevoel geven van een goddelijke kracht, hoe wetenschappelijk futuristisch dingen ook mogen zijn. Niet een kracht van er is iemand met een hogere macht buiten mij, ik ben zelf ook onderdeel van die kracht. Ik kan die kracht vergroten en die kracht ondermijnen, en dat geeft betekenis aan mijn leven. Ik denk dat wij als mens zijnde een bepaalde evolutie doormaken. Dat heeft maar een stukje te maken met de wetenschappelijke kennisontwikkeling. Voor mij heeft het ook te maken met een bepaalde geestelijke ontwikkeling. Ik vind het dogmatisch katholicisme, de islam en er zijn nog wel meer primitieve godsdiensten, achterlijke geloven. De essentie van geloven is voor mij, hoe kunnen we het samen zijn mooi en zinvol maken.

zaterdag 21 mei 2011

Wie de schoen past trekke hem aan



Komende weken staan de afspraken tussen de gemeentelijke en landelijke overheid op de politieke agenda. Voor Oirschot zal dit betekenen dat we minimaal 3 ton€ (10%OZB) minder ontvangen en meer taken en verantwoordelijkheden krijgen. Taken als het gaat om Huishoudelijkehulp, hulpmiddelen, dagopvang voor mensen met een beperking en socialewerk voorzieningen. Deze bezuinigingen treffen net de mensen die het kwetsbaarste zijn en zich niet kunnen verzetten. Sommigen van onze collegea raadsleden vinden dat we als PvdA het akkoord tussen Premier Rutten (VVD) en voorzitter Joritsma(VVD) van de Vereniging Nederlandse Gemeenten geen asociaal Liberaal akkoord mogen noemen. Als PvdA zijn we in elk geval blij dat de gemeente Oirschot samen met nog vele andere gemeenten zich verzetten tegen dit asociale akkoord. Wij hebben waardering voor wethouder Evers (VVD) dat hij namens de gemeente Oirschot stelling neemt tegen dit asociale liberale beleid.
Voor de komende fractievergadering staan de volgende punten op de agenda:
·         Kaders Centra Jeugd en Gezin
·         Stille Wille eindelijk dubbele bestemming of toch niet
·         Begroting Samenwerking Regio Eindhoven (Brainport en de Groene Corridor tussen Oirschot en Eindhoven)
·         Bestuursakkoord Rutten/ Jorritsma
·         Maatschapppelijke discussie Duurzame veehouderij en leefbaarheid
Het beloofd dus weer een boeiende vergadering te worden. Wij hebben uw steun en inzet hard nodig  om de belangen van de inwoners en de toekomst van Oirschot te waarborgen.
Als PvdA vinden we meedenken en meedoen echt belangrijk dus schroom niet om aan te schuiven  bij onze fractievergadering van donderdag 26mei om 20u in de Zadelmakerij in Oirschot (sint Maarten).
                                                               Namens PvdA Oirschot
                                                               Raf Daenen 0646298931

vrijdag 20 mei 2011

Wat moeten we met ontsporende allochtone jongeren?

In de media wordt vaak op zeer negatieve wijze bericht over de criminaliteit onder bepaalde groepen allochtone jongeren, vooral jongens. Berichtgeving leidt vervolgens tot de maatschappelijke roep om harder op te treden tegen deze groepen. Was het tien jaar geleden nog taboe om dit hardop te zeggen, nu is het roer omgegooid, en worden problemen en tegenmaatregelen in soms onredelijke heftigheid in het  besproken.
Niemand zal de problemen ontkennen. Er zijn verschillende onderzoeken die de problematiek blootleggen. Zo blijkt dat allochtone jongeren nog steeds een veel lager opleidingsniveau hebben dan Nederlandse jongeren. Ook de werkeloosheid is onder allochtone jongeren veel hoger dan onder Nederlandse jongeren; naar verhouding bijna twee keer zoveel werkeloze allochtone jongeren. Het meest in het oog springen de cijfers over de criminaliteit van jongeren. Allochtone jongeren, met name jongens bezondigen zich veel vaker aan geweldsmisdrijven, zoals beroving  of mishandeling. Het gaat vooral om Surinaamse, Antilliaanse en Marokkaanse jongens. Andere culturen, zoals de Chinese, Turkse of Joodse houden meer controle over hun leden, en lossen problemen binnen hun groep op. Surinaamse, Antilliaanse en Marokkaanse jongens komen beduidend vaker in aanraking met de politie dan Nederlandse jongens of jongens uit andere allochtone groepen. Ook het van de loverboys is het overgrote deel allochtoon. Als we problemen met allochtonen fundamenteel willen aanpakken zullen we eerst meer inzicht moeten hebben in de oorzaken ervan.

Over de oorzaken lopen de meningen uiteen. Nederlanders vinden vaak dat allochtonen niet voldoende bereid zijn zich aan te passen, allochtonen menen vaak dat ze daartoe niet de kans krijgen, omdat ze bij voorbaat worden afgeschreven, worden gediscrimineerd of worden gestigmatiseerd. Politie en justitie zouden selectief rechercheren en veroordelen. Ook wijzen allochtonen graag op succesvolle landgenoten, en die zijn er zeker wel, maar ze vormen nog steeds een minderheid.
In elk geval er een culturele kloof, die niet gemakkelijk wordt overbrugd. Zo zijn er duidelijke opvoedingsverschillen tussen Nederlandse en allochtone ouders. Opvoeden in dialoog, de norm in de westerse samenleving, wordt niet door alle culturen gedeeld. Allochtone kinderen komen met verschillende opvoedingsstijlen in aanraking. Thuis dwingen de ouders door verbaal of fysiek geweld aanpassing af. Op school of bij vriendjes wordt overlegd en wordt verteld waarom bepaald gedrag wel of niet wordt getolereerd. Een belangrijk en begrijpelijk gevolg is dat kinderen hun ouders vermijden, en dat zij, zodra zij daartoe in staat zijn, zich sterk gaan oriënteren op leeftijdgenoten. Het zoeken van normen en waarden buiten het gezin bij de vriendengroep op straat is een oorzaak van veel antisociaal en crimineel gedrag bij de jeugd, speciaal bij  jongens.
Voor allochtone meisjes geldt een ander verhaal. Zij zijn in hun cultuur vaak ondergeschikt, en worden gedomineerd door de vader of door hun broers. Hun problemen keren zich eerder naar binnen, en uiten zich niet zozeer in agressie of normoverschrijding, zoals bij jongens, maar eerder in depressie, anorexia, of vluchten in religie of in schijnwerelden. Ook zijn er meisjes die ontsnappen aan de benauwende regels thuis door jong te trouwen of kinderen te krijgen (tienermoeders).

Een ander element van de problematiek is het idee dat je, als je er “toch nooit bij hoort”, jezelf moreel niet hoeft te verbinden met het normen- en waardenstelsel van een samenleving. De drempel om wettelijke regels te overschrijden is dan een stuk lager.  Zo is in bepaalde culturen het kunnen tonen van materieel bezit een teken van standing en dat verhoogt het sociaal aanzien. Als je niet door te werken een mooie auto, sieraden, of andere materiële zaken kunt verwerven, maar wel door middel van ongeoorloofde activiteiten, dan beland je al gauw in criminele kringen. Het is een systeem dat zichzelf voortdurend bekrachtigt, zolang succes en criminaliteit samenhangen, en er weinig morele hinderpalen zijn. Een ander effect van “niet bij de samenleving horen” is het vormen van eigen subculturen. In een land als de Verenigde Staten heeft dit tot gettovorming geleid. Getto’s staan buiten de samenleving en kennen een gesloten cultuur met eigen normen en waarden.
Bepaalde groepen jongens en meisjes hebben problemen met het leven in een voor hen biculturele samenleving, en het is moeilijk om je steeds weer aan te passen. Thuis gelden andere normen en waarden dan op school of in de vrienden- of vriendinnengroep. Dat geldt ook wel voor Nederlandse jongeren, maar hier is de kloof tussen thuiswereld en buitenwereld lang niet zo groot, en de kloof wordt met het toenemen van de leeftijd steeds meer gedicht.
Integratie in de samenleving?
We willen dat alle burgers zoveel mogelijk integreren in de samenleving. Maar wat betekent dat? Integreren impliceert ontmoeten: het individu treedt in dialoog met de samenleving, die iets van haar leden wil en die anderzijds iets te bieden heeft. Wat wil onze samenleving van de jeugd, die de drager van de toekomst is? We profileren ons als kennis- en netwerksamenleving, waarbij grote waarde wordt gehecht aan opleiding, aan gemotiveerd zijn om een leven lang te leren, aan zelfontplooiing, maar ook aan samenwerking en overleg met anderen, zoveel mogelijk op basis van gelijkwaardigheid. Dit staat haaks op culturen waar hiërarchie wordt geëist, waar intellectuele prestaties minder tellen dan fysieke prestaties, waar vrouwen ondergeschikt zijn aan mannen, of waar gewenst gedrag wordt afgedwongen door middel van geweld of uitsluiting. Het koesteren van f culturele verschillen bemoeilijkt de integratie, en het is goed om daar de ogen niet voor te sluiten. Bij de integratie van de jeugd spelen de ouders de primaire rol. Ouders bemoeilijken de integratie van hun kinderen als ze vasthouden aan hun eigen tradities en hun kinderen de boodschap meegeven dat ook zij daar aan moeten vasthouden. Opvoedingspatronen zijn lastig te doorbreken, maar dat doorbreken is wel een voorwaarde om in onze samenleving te integreren. Zowel allochtone jongens als meisjes moeten emanciperen. Jongens door hun macho-cultuur of extremistische godsdienstopvatting te laten varen, meisjes door zich niet te verstoppen en niet langer te vluchten in fundamentalisme of blinde aanpassing aan de familietradities.

Insluiten of uitsluiten?
De samenleving kan wel vragen om te integreren, en eisen dat basiswaarden van de kennissamenleving worden overgenomen, maar ze moet daar ook de juiste inspanningen tegenover stellen. Die inspanningen zijn tot nu toe nog te vaak gericht op het pamperen van allochtonen enerzijds en streng straffen anderzijds. Beide soorten inspanning sorteren niet het gewenste effect. Pamperen maakt van mensen afwachtende vragers en zelfs bedelende eisers, en straffen leidt doorgaans tot vlucht,verbittering  of verzet. Om ook moeilijk bereikbare groepen in te sluiten moet de samenleving beginnen met haar positie ten aanzien van probleemgroepen duidelijk te maken. Wat verwachten we van onze jeugd, waarom verwachten we dat, en hoe maken we de verwachtingen duidelijk? Vervolgens mag de maatschappij mensen aanspreken op hun talent om een positieve bijdrage aan de samenleving te leveren, en ook eisen aan het talent stellen. Wie in Nederland mee wil doen moet bepaalde basisregels in acht nemen, zoals naar school gaan en werken, anderen en andere meningen respecteren, zich aan de Nederlandse wetgeving houden.
Mensen op zulke regels en op basiswaarden aanspreken werkt niet zo goed op een abstract niveau, zoals via landelijke campagnes. Die zijn wel appelerend, maar tegelijkertijd vrijblijvend. Het echte werk moet gebeuren in de ontmoeting met professionals in opvoeding of in maatschappelijke sectoren. Dat impliceert dat maatschappelijke opvoeding herwaardering behoeft. In onze individualistische maatschappij hebben we de maatschappelijke opvoeding in de afgelopen decennia te veel veronachtzaamd. Het samenlevingsperspectief moet terug in de opvoeding, of het nu autochtone of allochtone jongeren betreft. In de directe ontmoeting met opvoeders kunnen jongeren persoonlijk worden aangesproken, en worden uitgedaagd om verantwoording af te leggen over hun gedrag of keuzes in persoonlijk, maar zeker ook in sociaal perspectief. Professionals moeten dan wel werken vanuit hun inhoudelijke betrokkenheid, of vanuit hun hart, en niet vanuit de regels die de organisatie waar ze voor werken oplegt. Organisaties leggen vaak procedurele verantwoordingsregels op, maar die raken niet het hart van het pedagogisch handelen.
Een voorbeeld is dat In het onderwijs moeilijke groepen kunnen worden uitgedaagd om te laten zien wat ze waard zijn en te formuleren hoe ze de samenleving van de toekomst en hun positie daarin zien. Dat verbreedt het perspectief, en levert een bijdrage aan de opvoeding. De docent wijkt misschien af van zijn curriculum door dit aan de orde te stellen, maar het kan een geweldige meeropbrengst hebben. Andere maatschappelijke instanties, zoals clubs, zorginstanties, kerken, maar ook politie en justitie kunnen via persoonlijke betrokkenheid van teamleiders, trainers, imams, of wijkagenten bijdragen aan een kritisch positieve opstelling van allochtone probleemjongen. Daarnaast kunnen professionals ouders verleiden om zich meer open te stellen voor onze democratische en interactieve pedagogische aanpak. Een voorwaarde is wel vertrouwen en identificatie met positieve voorbeeldfiguren. Insluiten betekent daarom werken aan het vertrouwen, en dat vertrouwen kan het beste worden veroverd in de persoonlijke ontmoeting. In deze ontmoeting stelt de professional zich open op, maar weet de ander ook uit te dagen. Het gebruik van humor kan daarbij als katalysator werken.
Uiteraard kost insluiten veel tijd en inspanning. Het alternatief is uitsluiting, en dat leidt alleen maar tot verder verzet en tot negatieve woorden en daden. Als samenleving moeten we dat niet willen, ondanks de roep van bepaalde groepen om nog harder op te treden. Er zal beslist een kleine harde kern van probleemjongeren blijven die niet of nauwelijks is te benaderen, en daar helpt misschien enkel een hard strafbeleid. Voor het merendeel geldt dat met het uitspreken van eerlijke verwachtingen en met een positieve, maar consequente en duidelijke opvoedingsaanpak er zowel voor jongens als meiden langs verschillende wegen resultaat kan worden bereikt. Daardoor wordt integratie misschien moeizaam, maar wel blijvend gerealiseerd.

Raf Daenen, docent maatschappelijke ontwikkeling
Willem Vermeulen

Hoe ist gesteld met onze legitimatie als professionele hulpverleners in welzijn en zorg.

Reflectief practicum:

Op gesloten in vaak over gebureaucratiseerde markt georiënteerde organisaties? Als we het niet meer collectief organiseren dan verhuren we ons toch als welzijn ZZPérs. Toekomstige slachtoffer van grote maatschappelijke bezuinigingen (20% WMO en Sociale Zaken).
In functie van de WMO, enerzijds weggedrukt en inwisselbaar door een maatschappelijke roep naar zorg voor elkaar en vrijwilligheid. Anderzijds ingeruild door een grotere maatschappelijke roep naar strengere straf en sanctie en hierbij passende organisaties en systemen.
Waar staan en willen we voor staan als professionals in zorg en welzijn?
Wat is terechte kritiek? Is ons straf systeem (TBS, BOPZ etc.) uit de tijd en onder de maat, zegt dit iets over hoe wij professionals functioneren en zouden moeten functioneren. Doen we als welzijnswerk wel de problemen aanpakken die we in functie van onze maatschappelijke opdracht zouden moeten aanpakken en in ieder geval deels zouden moeten oplossen (Multi problem, verloedering, straatterreur, eenzaamheid, criminaliteit, integratie etc.…).
Hoe ziet onze bijdrage er dan uit? Moeten we onze bijdrage beter verkopen?
Balans tussen betrokken, bevlogen, ervaren en deskundig.
Hebben we nog meer te bieden en vooral hoe dragen we onze functionaliteit uit. Mopperen we met de massa mee over allerlei meer of minder vermeende misstanden, iedere dag is er wel een ander incident dat onze legitimatie ondermijnt. Hobbelen we netjes mee in de politiek correcte en bestuurlijke gelikte antwoorden van meer protocollen en controle.
Hebben we, in antwoord op het rechtlijnige 1 dimensionale perspectief, als agogen nog meer en beters te bieden. Willen en kunnen we de samenleving en individuen helpen om vanuit het 1 dimensionaal egocentrisme een stap te zetten naar een menswaardig samenleven. Er onvoorwaardelijk zijn voor de ander. Kan dit een antwoord zijn op de onuitgesproken al om tegenwoordige angst voor het als leeg en zinloos ervaren bestaan na de 4 de facelift, borstvergroting, Porsche etc.….
Hebben we en welke instrumenten hebben we tot onze beschikking om ons hier tegen te verzetten:
-          collectief protest
-          extra profilering
-          aanwezig zijn
-          professionele stellingname en legitimatie
-          onderzoek
-          crisis interventie
-          opbouwwerk
-          outreachend werken
-          signalering
Of is het inderdaad een maatschappelijke golfbeweging die we maar over ons heen moeten laten komen, hopende dat de wal het schip keert?
Waarschijnlijk heeft ieder van ons zijn eigen sores, antwoorden en perspectieven. Zelf vind ik het al winst dat we samen een algemene verkenning maken over het spanningsveld waar ieder van ons in zijn specifieke stage en werksituatie mee geconfronteerd wordt.
Wij zijn maatschappelijke werkers/ opbouwwerkers/sociaal pedagogische werkers en worden geacht iets te vinden en weten overhoe het leven ook anders geleefd kan worden.

donderdag 19 mei 2011

Bouwen aan het nieuwe jeugdstelsel

 De Jeugdzorg gaat verbouwen. Dat besluit is genomen door het kabinet Rutte en staat in het Regeerakkoord. In het bestuursakkoord van april 2011 is onderhandeld over de uitwerking ervan.
Het nieuwe beleid is erop gericht de bestuurlijke en financiële verantwoordelijkheid voor een groot aantal voorzieningen, inclusief de gespecialiseerde jeugdzorg, bij de gemeente neer te leggen. Dat is ingrijpend en veelomvattend. Een zelfde ontwikkeling zien we in het onderwijs. In het kader van het zogeheten ‘Passend onderwijs’ komen er regionale samenwerkingsverbanden die samen met de jeugdzorg de zorgplicht moeten waarmaken.
Met de komst van de Centra voor Jeugd en Gezin(CJG) in de vorige regeerperiode is er een basis gelegd voor deze transitie. De oprichting van de CJG’s werd ingegeven door de slecht toegankelijke en vaak versnipperde zorg in het preventieve domein, een onoverzichtelijk niet vraaggericht aanbod van diensten en onvoldoende coördinatie van zorg. Dit probleem is met verve aangepakt, de CJG’s zijn nog pril en zeker niet ‘af’ maar er is wel sprake van een robuuste beweging in heel Nederland. Bijna alle gemeentes hebben de afgelopen vier jaar deze CJG’s ontwikkeld of hebben de plannen hiervoor klaarliggen. In april 2011 heeft 66 procent van de gemeenten een fysiek CJG gerealiseerd. In totaal hebben deze 275 gemeenten 547 CJG-locaties. 69 procent heeft een CJG-website gerealiseerd.
De visie dat zorg dichtbij en gemakkelijk toegankelijk moet zijn is inmiddels breed gedragen. Die visie geldt ook voor de meer specialistische jeugdzorg. Een nieuw inzicht is dat we nog veel meer kunnen inzetten op het versterken van de opvoeding en dat we af moeten van
De verbouwing gaat een flinke tijd in beslag nemen. We moeten minimaal rekenen op 4 jaar. Maar de tijd is er wel rijp voor. Intussen moet de zorg voor de jeugd gewoon doordraaien. Dus
zorg overnemen. Dat er nog veel meer gewerkt kan worden aan het herstel van het gewone leven, aan het versterken van eigen kracht en autonomie van jeugdigen en hun ouders. Dat vraagt om een ander denken en anders handelen. Dat betekent niet alleen een transitie, maar ook een transformatie. business as usual en tegelijk under construction. Missie: sterke basis en samenhangende zorgstructuur voor gezond en veilig opgroeien De hele verbouwing dient één centrale missie die ouders, mede-opvoeders en jeugdzorginstellingen delen: ervoor zorgen dat die jeugdigen gezond en veilig opgroeien. Dat is hier in de breedste zin van het woord op te vatten: zowel de fysieke gezondheid, als het psychisch welbevinden, de cognitieve capaciteiten, sociale relaties en plek in de samenleving. De verbouwing is niet bedoeld om ‘slechts’ financieringsstromen en bestuurlijke verantwoordelijkheden te verleggen. Die zijn volgend op de inhoudelijke slag.
 
  1. Een sterke en positieve basis in onze samenleving voor jeugd en ouders door het versterken van de informele steun van sociale netwerken (bouwend aan de zogeheten civil society) en de algemene voorzieningen.
  2. Een samenhangende zorgstructuur in het stelsel realiseren, erop gericht de opvoeding niet over te nemen, maar zoveel mogelijk te versterken.

maandag 16 mei 2011

Management is bullshit

 
Organisaties moeten af van managers en organisatieadviseurs die alleen maar aan anderen vertellen wat ze moeten doen. "Bedrijven moeten terug naar de essentie van hun bestaan."

Dilemmatraining, heimweemarketing, lean six sigma black belt en management by walking around. Het is een greep uit de bullshit woordenlijst uit het boek ‘Bullshit management’ van bedrijfskundige en ondernemer Jos Verveen, dat afgelopen week is verschenen. Volgens Verveen is management, dat precies 100 jaar geleden is ontstaan, namelijk flauwekul. "Management is niet natuurlijk gegroeid. Eén iemand, Frederick Winslow Taylor, heeft bedacht dat je een aparte laag nodig hebt met mensen die bedenken wat anderen moeten doen." Hij stelt dat er nooit is bewezen is dat zo'n extra laag werkt. "Sterker nog: er is steeds meer wetenschappelijk bewijs dat management niet en zelfs averechts werkt."
Tsjakka-training
Hij neemt die tussenlaag op de korrel. "Ik heb niks tegen chefs en leidinggevenden die inhoudelijk bezig zijn. Nee, ik heb het over managers en adviseurs die zich alleen maar bezig houden met het vertellen wat andere mensen moeten doen." "Die Tsjakka-trainingen, 360 graden feedback gesprekken, brainstormsessies in een hutje op de hei en jongleren voor leidinggevenden bedenken; allemaal lariekoek."
Miljardenindustrie
Er gaan miljarden euro’s om in de schil managers en organisatieadviesbureaus die daar omheen hangen, zegt Verveen. "Je ziet de overhead stijgen. Het is bijna zo dat de ene helft van Nederland adviseert wat de andere helft moet doen." In Nederland zijn zo’n 15.000 managementboeken te koop. Wat moeten we met nog een boek over managers? "Al die boeken schrijven voor wat je als manager moet doen: zelfsturing, het Nieuwe Werken, coachend of dienend leiderschap. Allemaal in de lijn dat dat de waarheid is. Ik zeg: er bestaat geen enkele blauwdruk van hoe het moet. Organiseren is geen wetenschap."
Essentie
Wat moeten managers dan wel doen volgens hem? "Er bestaat niet één juist advies. Want wie durft tegen Steve Jobs en John de Mol te zeggen dat zij moeten delegeren en zich niet met de details mogen bemoeien als dat hun kracht is?"
Maar als Verveen dan toch één ding mag zeggen, zou het zijn: "We moeten terug naar de essentie. Logisch nadenken en doen waarvoor het bedrijf ooit is opgericht." Management is volgens hem “de nagel aan de doodskist” van innovatie en ondernemerschap. Wat vindt hij de allergrootste bullshit? "Het ergste vind ik dat we nog steeds geloven in targets en bonussen. Ik vind het echt een belediging dat we denken dat mensen met hart voor de zaak een bonus nodig hebben om hun werk goed te doen."

donderdag 12 mei 2011

Intensieve Menshouderij of net wat anders?

 of 




In het boek Intensieve Menshouderij werkt Jaap Peters samen met mevr. Pouw de dachte uit dat we zowel in de profit als non-profit sector steeds meer volgens een management model zijn gaan werken. Het topmanagement, dat los komt te staan van de echte realiteit leeft in een ideale wereld van managementmodellen die worden opgelegd aan de werkvloer. Professioals op de werkvloer moeten steeds meer volgens protocollen, procedures en regels werken, en worden beoordeeld op formele outputcriteria, en niet langer op hun inhoudelijke kennis, inzichten of vaardigheden. Een simpel voorbeeld is de conducteur (thans heet deze functie servicemedewerker), die de trein moet laten moet vertrekken, ook als een
iets te late aansluitende trein op het punt staat het station binnen te rijden. Dat daardoor honderden reizigers hun aansluiting missen is niet van belang, wel dat de punctualiteit van vertrek van treinen wordt gewaarborgd. De servicemedwerker die wel oog heeft voor de belangen van de reiziger en dus even wacht, loopt het risico een berisping te krijgen. Dit voorbeeld staat model voor vele andere in dienstverlenende organisaties.
Belangrijke elementen van dit soort management zijn:
- regels gaan een eigen leven leiden, en de organisatierealiteit komt los van de echte werkelijkheid
- de directie schrijft voor wat er moet gebeuren; er komen steeds meer regels, protocollen en procedures die worden bewaakt door het middenmanagement, dat de taak heeft om de regels uit te leggen aan de werkvloer en er tegelijkertijd op toe te zien dat ze na worden geleefd
- rationeel economische principes zijn primair; het gaat om kwantitatieve groei en het behalen van kwantitatieve doelen
- hokjesdenken, alles wordt in cellen opgedeeld, waartussen weinigcommunicatie bestaat
- cynisme van professionals op de werkvloer
- er wordt top down gestuurd, met weinig interesse voor signalen die bottom up komen
- medewerkers worden ziek van de manier waarop het werk is georganiseerd (aantal burn-outs neemt toe).
Peters ziet duidelijke parallellen tussen de manier waarop met
medewerkers in modern management wordt omgegaan, en hoe in grootschalige landbouw met middelen en producten wordt omgegaan. Het gaat niet meer om kwaliteit, maar om zoveel mogelijk opbrengst met zo weinig mogelijk investering.
Jaap Peters ontkent niet dat management nuttig en nodig is, maar niet het soort management dat geen enkele inhoudelijke betrokkenheid meer heeft bij de functie van een organisatie of de belangen van klanten. Het
gaat mis als organisaties de context uit het oog verliezen, en als management alleen re(a)geeert op basis van kengetallen en vastgestelde protocollen.
In dat geval lost de kwaliteit van de organisatie op in de pure rationaliteit om de kwaliteit te bereiken.
Als oplossing komt Peters met een checklist van 10 aandachtspunten voor anders organiseren:
1. Houd vakmensen vast;
2. Zet kwalitatief goede mensen ook in de frontoffice;
3. haal niet alle varieteit uit het klantenbestand;
4. haal niet alle varieteit uit het personeelbestand;
5. probeer niet alles te rationaliseren;
6. knip niet alles op in deelclubjes die langs elkaar heen werken;
7. maak managers niet alleenverantwoordelijk voor deelactiviteiten, maar ook voor het geheel;
8. ga niet alleen af op kengetallen, maar vooral op hun betekenis in een bredecontext;
9. gebruik meer gezond verstand in plaats van allerlei shecklists;
10. praat als manager zelf met klanten en personeel op dewerkvloer.

Hoe meer regels er komen, hoe minder echt contact, want dat is weggeregeld, en hoe meer passieve professionals, die zwichten onder controle en regeldruk. De passie en motivatie wordt er in veel organisaties van deze tijd uitgemanaged, omdat de professional steeds minder speelruimte krijgt. Het model dat al langer in de profit sector bestond vindt nu ook steeds meer zijn weg in de nonprofit sector. De oplossing ligt in slow management, waarbij de manager zich weer op de mensen richt, en professionals stimuleert en ruimte geeft.